­

Een gesprek tussen twee vrouwen over hun verschillen in achtergrond en omgaan met sterven en nabestaan

De ontmoeting is in Residence Haganum, de thuisbasis van Pam Hobbelman. Op verzoek van ‘Dood gewoon in Den Haag’ schuift Jamila Faloun aan tafel. De rustige, bijna serene sfeer in deze particuliere zorglocatie van Florence is het decor waar Pam en Jamila elkaar spreken over hun achtergronden, levensovertuiging en hoe zij omgaan met sterven en nabestaan. Jamila is opgetogen. Ze vindt het buitengewoon interessant om in deze setting als moslima over een onderwerp als de dood te praten. Voor Jamila is de dood iets dat heel nauw samenhangt met het dagelijks leven. “De dood is er altijd bij; niet als iets engs maar natuurlijk ook weer niet iets waar je naar uitkijkt.” Pam is gefascineerd door Jamila en wil haar honderduit vragen. Er is direct chemie tussen beiden, terwijl de verschillen bijna niet groter kunnen zijn.

jamila en pam

Jamila is geboren en getogen in Den Haag uit Marokkaanse ouders. Ze is 41 jaar en heeft twee zoontjes. Jamila heeft HBO-Verpleegkunde gestudeerd en is daarna culturele wetenschappen gaan studeren. Die studie heeft ze niet afgerond. Het vraagstuk van diversiteit heeft Jamila altijd aangesproken. Daar ligt haar passie en dat blijkt ook uit haar loopbaan. Jamila was beleidsmedewerker bij de Dordtse Integratie Adviesraad in Dordrecht en was daarvoor jarenlang nauw betrokken bij meidenvereniging Al Manaar in Den Haag, een organisatie voor emancipatie en integratie. Nu is ze jeugdverpleegkundige bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) in Rotterdam.

Pam is 62 jaar, geboren in Brabant in een katholieke omgeving en opgegroeid bij humanistische ouders. Pam is getrouwd en heeft twee kinderen, ook allebei zonen, één eigen en een aangetrouwde. Ook Pam heeft haar studie niet afgemaakt; psychologie deed ze. Tijdens de studie werd haar moeder ernstig ziek en koos Pam ervoor haar te gaan verzorgen. Die ervaring maakte dat de studie psychologie ver van haar af kwam te staan: te theoretisch en te wetenschappelijk. Toen haar moeder overleed en Pam de dood van zo nabij meemaakte, wist zij dat ze iets met zingeving wilde doen. Ze koos voor de HBO voor Humanistisch geestelijke verzorging. Met deze opleiding op zak werd Pam humanistisch raadsvrouw en geestelijk verzorger in een verzorgingshuis en in het AMC. Later werd Pam landelijk hoofd van dienst van de Humanistisch geestelijk verzorgers in verzorgingshuizen. Zo rolde Pam meer en meer in managementfuncties. Pam is nu manager van de mooie zorglocatie waar we te gast zijn en die ook een goed bezocht zorghotel is.

‘Anders zijn’
De ouders van Pam waren heel bewust buitenkerkelijk. Ze waren ook niet gelovig. In het katholieke zuiden was dat niet altijd makkelijk. In de gemeenschap waar Pam met haar ouders leefde, heeft ze haar plekje wel moeten bevechten. Op de katholieke middelbare school was de godsdienstles verplicht. Zij geloofde niet en dat leidde tot veel discussie met haar klasgenoten. Ze trok daardoor ook meer en meer toe naar de andere ‘import’ in haar omgeving. Pam is zich al op heel jonge leeftijd bewust geworden van het belang van levensbeschouwing in onze samenleving.
Voor Jamila geldt het omgekeerde. Haar jeugd speelde zich af in Den Haag Zuid-West; in de jaren zeventig/tachtig een hele ‘witte’ buurt. En iedereen was gek met het nieuwe Marokkaanse gezin. Een bezienswaardigheid bijna. Op school wilden de juffen allemaal wel Jamila, haar zus en later haar broertje in de klas hebben. De basisschoolperiode was heel fijn en Jamila voelde zich nooit buitengesloten. Het gezin van Jamila was traditioneel maar aanvankelijk niet religieus. De godsdienstlessen op school waren geen probleem voor haar ouders; dan kreeg Jamila ook die kennis van God mee en met het kerstdiner op school aten ze kip. Dat was weliswaar niet halal maar op die manier werd geloof/religie nog niet echt meegegeven. Zolang het maar geen varkensvlees was, was het eigenlijk goed. God bestond bij Jamila thuis en het volgen van lessen in de moskee in Wateringen was onderdeel van het opgroeien. De regels en dogma’s waren een soort ‘ver van mijn bed show’. Tradities en culturele normen waren veel belangrijker in haar opvoeding. Maar het gevoel van ‘anders zijn’ kwam pas veel later, toen de wijk diverser werd in samenstelling.

Een minderheid maar geen mindere
In de levens van beide vrouwen speelt de dood een rol van betekenis. Pam maakte op 15-jarige leeftijd kennis met de dood en de manier waarop haar gemeenschap daarmee omging. Het was de begrafenis van de vader van haar vriendin. Pam was verbijsterd. Het leek alsof hij een slecht mens was geweest en alleen maar gezondigd had. Het ging helemaal niet over het verdriet of over de man zelf. Het waren uitsluitend religieuze rituelen en dat maakte het voor Pam leeg en betekenisloos. Ze stond er buiten en veroordeelde het eigenlijk ook. Op school voerde zij met haar leeftijdsgenoten veel discussies over dood en sterven; vooral ook over het leven ná de dood. En dan hoorde ze haar klasgenoten herhalen wat ze hadden gehoord in de kerk. Pam voelde zich altijd wel een minderheid maar nooit de mindere.

Toeleven naar de dood
De dood is voor Jamila iets dat je meekrijgt als je wordt geboren. Vanuit het geloof in het hiernamaals is de dood heel essentieel. Je leeft toe naar de dood. “Dat heeft ook wel iets schizofreen: je moet verlangen om bij God te zijn en tegelijk wil je niet sterven; je houdt van het leven.” Als kind was Jamila daar weleens verdrietig en bang voor: ze wilde niet dood; niet naar God. Pas toen ze zelf de Koran ging lezen, kwam dat voor haar meer in het juiste perspectief te staan. God weet dat mensen het leven omarmen en dat is ook goed. Dat doet niets af aan je liefde voor God of je verlangen om uiteindelijk bij hem te zijn. Dat komt vanzelf wel.
Het eerste sterfgeval dat ze meemaakte was de vader van haar moeder. Het huis zat dagen lang vol met mensen die kwamen eten en drinken. Verder was er geen ceremonie. Pas bij het overlijden van haar oma, de moeder van haar vader, zag zij voor het eerst de rituele wassing en de lijkwade. Maar ze mocht toen nog niet mee naar de ter aarde bestelling als vrouw. Die dingen zijn inmiddels wel weer veranderd.
Voor veel Marokkanen is het belangrijk om in Marokko te worden begraven. Maar Jamila weet niet meer zo zeker of ze zelf dat nog wel wil. Dat is voor haar best lastig om te bespreken met de familie. Haar vader vindt dat maar niks. Ze praat er wel over met vriendinnen.

Een graf als plek voor de levende of de overledene?
Pam schiet daar op in; haar ouders waren juist heel modern en hebben zich laten cremeren. En zij heeft daardoor altijd een graf gemist. Sinds de dood van haar moeder heeft het altijd ontbroken aan een plek om naar toe te kunnen en te herdenken. Het maakt haar dan ook niet uit hoe en waar haar uitvaart plaatsvindt. Haar kinderen mogen dat bepalen. Het is voor hen belangrijk, niet voor haarzelf; ze is er niet meer bij. Een graf is een plek voor de levenden; om dichtbij de overledene te zijn. Ze komt er niet om iets te geven. Dat doe je aan levenden. Jamila komt juist wél iets brengen voor de overledene. Het is een plek voor het doen van smeekbeden voor de dode. In de eigen kring van Jamila tellen de levenden bij een overlijden of een begrafenis ook even niet mee. Je huilt niet teveel want jouw verdriet is niet zo belangrijk. Het gaat niet om jou maar om degene die is overleden. Die is naar God.

Leren van elkaar
Het mooie in Nederland is, vindt Jamila, dat hier het openlijk tonen van verdriet van de andere familieleden en betrokkenen er mag zijn, zonder dat je daarmee afbreuk doet aan de overledene die terug is naar God, zoals moslims dat zien. Je ziet toch wel dat moslims dat steeds meer overnemen en soms combineren met hun eigen rouwrituelen. Nabestaanden en hun emoties krijgen langzamerhand meer plaats. Vrouwen en mannen gaan steeds meer samen naar een begrafenis. Niet iedereen in de gemeenschap is het daar direct mee eens. Maar toch laten mensen ook in de moslimgemeenschap het idee steeds meer toe dat openlijk verdriet tonen of afscheid nemen van een overledene geen afbreuk doet aan het concept dat het Gods wil is en daarmee de berusting hierin. Jamila is ervan overtuigd dat Marokkaanse Nederlanders en de zogenaamde autochtone Nederlanders veel van elkaar kunnen leren in het bespreekbaar maken van de dood, verdriet en rouwen.

De dood in het werk
Pam en Jamila hebben beiden te maken met de dood in hun werk. Pam geeft aan dat als mensen ziek zijn en steun nodig hebben je daar als verzorgende zo min mogelijk normatief mee moet omgaan. De behoefte is sterk individueel. De één wil gedetailleerd weten van artsen hoe een en ander er voor staat en beslissingen afwegen. Ze organiseren bij voorbeeld een afscheidsfeest voor alle vrienden. De ander verwerkt het veel meer in zichzelf en wil alles privé houden of zelfs niet weten wat er aan de hand is.
Jamila vertelt dat terminale ziekten in haar wereld bij de zieke worden weggehouden. Kinderen doen dat bij hun ouders bijvoorbeeld om ze om op die manier te beschermen. Daar heeft Jamila wel moeite mee omdat ze vindt dat de zieke ook afscheid moet kunnen nemen, schulden aflossen en vergiffenis vragen. Je ontneemt iemand al die dingen; ook het maken van een testament. Als professional moet je maar vertrouwen dat de zieke van de familie hoort wat de arts vertelt. Er is een tolkenprotocol maar ondanks dat is het maar de vraag of de zieke wel het goede verhaal krijgt te horen.

Dood gewoon in Den Haag
Pam bedenkt zich hoe goed het zou zijn om dit soort dilemma’s rond doodgaan en diversiteit te herkennen. Bij geestelijk verzorgers is die aandacht voor diversiteit meestal wel geborgd. Maar in de gezondheidszorg is er zo af en toe een congresje over dit onderwerp en dan zakt het daarna weer weg. De rituelen komen nog wel aan de orde maar de persoonlijke ervaringen van mensen eigenlijk niet. Jamila bevestigt dit: het moet meer gaan over de ervaringen van mensen en minder over de rituelen. Dat zou een goed aandachtspunt zijn voor het platform Dood gewoon in Den Haag, vindt ze. De focus van het Platform ligt nu vooral op levensverhalen, geeft Pam aan. Het zou een mooie ontwikkeling zijn als dergelijke verhalen doorgroeien naar een grotere diepgang. Het moeten verhalen zijn die over meer gaan dan alleen een gesprek over het geleefde leven. Vooral ook over hoe je staat tegenover de dood. Levensverhalen kunnen je tijdens het leven voorbereiden op de dood.

­