­

Een dubbelinterview over verschillen in achtergrond en omgaan met sterven en nabestaan

Het decor is dit keer het kantoor van Elisabeth de Vries bij Huize Royal van de Saffiergroep in Den Haag. Voor de sfeer blijkt een meer zakelijke omgeving niet te deren. Al vooraf aan het interview zijn Elisabeth en haar gesprekspartner Sureyya Polat druk met elkaar in gesprek. De koffie dampt als het dubbelinterview start. Een gesprek van twee zorgprofessionals over hun achtergrond, de dood en hun werk.

door Jan booij en Ron Schumacher

DSC 0183 ES kopie

Elisabeth is een echte Haagse. 52 jaar geleden is ze geboren in Mariahoeve. Elisabeth is oorspronkelijk opgeleid tot verpleegkundige en heeft vervolgens een aantal jaren in Leiden gewerkt. Daarna is zij gezondheidswetenschappen gaan studeren in Rotterdam. Daar, in het Centrum-Oude Westen, werd zij ook wijkverpleegkundige. Eenmaal afgestudeerd werkte Elisabeth voor een zorgverzekeraar en bij de Haagse zorgaanbieder Florence. Vervolgens ging ze naar de gemeente Den Haag waar ze tot voor een half jaar geleden werkte aan het ouderenbeleid als coördinator van Den Haag seniorvriendelijke stad. De WMO, preventie en voorzieningen waren de actuele thema’s; hoe houd je oudere Hagenaars vitaal? Acht jaar geleden was het toenmalig wethouder Karsten Klein die de vraag opwierp waarom mensen zo weinig spreken over en zich voorbereiden op de dood. De taak om daar iets mee te doen, viel Elisabeth ten deel. Het bleek dat er eigenlijk al heel veel ondernemers en organisaties diensten aanbieden rondom doodgaan en nabestaan. Maar wat opvallend was dat er zo weinig werd samengewerkt. Het was niet altijd logisch om als begrafenisondernemer contact te hebben met welzijnsorganisaties of als religieuze organisatie met zorgorganisaties en nabestaandenbegeleiders. Het bleek ook dat hier wel behoefte aan was. Elisabeth heeft vervolgens met diverse professionals en vrijwillige krachten het platform Dood gewoon in Den Haag opgezet. Dat heeft acht jaar gedraaid waarin van alles opgezet en georganiseerd. Recent is het platform gestopt omdat er voldoende nieuwe samenwerkingsverbanden en initiatieven zijn gekomen om met dit thema verder te gaan. Toevallig viel dit samen met haar afscheid bij de gemeente en haar nieuwe functie als strategisch beleidsadviseur bij de Saffiergroep.

Sureyya Polat is 30 jaar. Ze is geboren in het Westeinde in Den Haag. Ze is moeder van twee kinderen. Sureyya werkt bij HVP-zorg. HVP heeft een sterk divers klantenbestand en biedt zorg aan mensen die nog thuis wonen. Het gaat vooral mensen die als ‘gastarbeider’ naar Nederland kwamen, nu oud worden en dementie kunnen krijgen. Sureyya is de eerste Turks sprekende casemanager in Den Haag. Zij kan de groep ouder wordende Turken goed benaderen. Naast casemanager is Sureyya ook bestuurder bij HVP. Alle drie de bestuurders van HVP draaien mee in de operatie. Dat ze bij HVP terecht kwam was min of meer toeval. Toen Sureyya als 21-jarige afstudeerde aan de HBO Maatschappelijk werk wist ze helemaal niet wat ze verder wilde doen. Begonnen op het VWO ging ze uiteindelijk terug naar VMBO-theoretisch om vervolgens via MBO toch haar HBO-diploma te halen. Ze wilde heel graag als gezinsvoogd gaan werken. Solliciteerde ook op dergelijke functies maar kwam eigenlijk niet aan de bak; ze was te jong en had geen ervaring. Ze wist dat HVP op zoek was naar maatschappelijk werkers maar ze vertikte het om daar te solliciteren. “Ik heb toch niet gestudeerd om bij de Turkse thuiszorg te gaan werken….”, lacht Sureyya. Ze associeerde dat met die louche uitzendorganisaties die je niet of slecht betalen. Maar na maanden zonder succes te hebben gesolliciteerd, probeerde ze het toch bij HVP. Solliciteren is eigenlijk een groot woord want ze was direct van harte welkom. Dat is nu 8 jaar geleden en ze heeft er nooit spijt van gehad.

Kinderen spreken Turks
Sureyya’s opa is destijds als ‘gastarbeider’ naar Nederland gekomen. Hij ging werken bij de spoorwegen. Haar oma bleef achter in een klein dorpje in Turkije met haar twee kinderen. Gedurende tien jaar ging opa ging regelmatig terug naar Turkije. Oma raakte in die periode nog twee keer zwanger onder andere van Sureyya’s moeder. Toen Sureyya’s moeder naar Nederland kwam met haar oma was zij 7 jaar. Zij is hier verder opgegroeid en gaan werken als kapster. Daardoor is zij meer westers georiënteerd dan veel anderen in de Turkse gemeenschap. Dat geldt ook voor Sureyya zelf. Zij is naast Turks ook heel Nederlands. En toch heeft ze er bewust voor gekozen om met haar kinderen in de eerste plaats Turks te spreken, omdat ze het Nederlands heel snel leren op school. Haar zoontje van drie jaar spreekt op dit moment beter Turks dan Nederlands. Sureyya vindt het belangrijk dat haar kinderen ook Turks spreken. Maar ze kan zich wel goed voorstellen dat andere Turken die hier leven dat niet meer doen.

Islamitische aarde
Opa is inmiddels overleden. Dat gebeurde in Nederland. Maar hij is wel in Turkije begraven.
Voor veel oudere Turken is het belangrijk om in hun thuisland begraven te worden. Oma leeft nog en woont in Nederland. Ook zij wil het liefst in Turkije begraven worden. Van haar moeder weet Sureyya het niet. Zelf wil ze het liefst dat haar moeder hier in Nederland begraven wordt. Ze gaat liever niet naar een of ander dorp in Turkije om het graf van haar moeder te bezoeken. Steeds meer jongere Turken willen in Nederland begraven worden. Vorig jaar nog vertelt Sureyya, is een bekende van haar gestorven, een Turkse jongen van 21 jaar. Hij is in Nederland begraven. Ze voegt er aan toe dat op Ockenburg een deel van de begraafplaats is gereserveerd voor islamitische mensen. “Dat is, zeg maar, islamitische grond of aarde…”

Professioneel en persoonlijk betrokken
Elisabeth is na het verzoek van Karsten Klein om meer te doen met het taboe op doodgaan, hard aan de slag gegaan. Als professional heeft Elisabeth organisaties en mensen voor dit thema bij elkaar weten te brengen. Maar ook voor Elisabeth persoonlijk is het onderwerp sterven en nabestaan belangrijk geweest. Daarom heeft ze het in haar werk ook op haar eigen wijze gedaan. “Als ambtenaar kun je zo’n thema ook klein houden met een behoefteonderzoek en een opdracht aan een organisatie.” Maar voor Elisabeth raakt het heel sterk aan haar visie op het realiseren van betekenisvolle zorg, betekenis hebben voor mensen en gerichte aandacht kunnen geven. Als verpleegkundige in Rotterdam ging zij bijvoorbeeld dagelijks naar een oudere Spaanse man die helemaal niemand had. Hij had dagelijks insuline nodig, dat was waarom zij daar kwam. Maar feitelijk had hij meer behoefte aan betekenisvol contact en zin in het leven. Zijn schepen had hij achter zich verbrand. Terug naar Spanje kon hij niet. Daar kende hij niemand meer en als arbeidsmigrant had hij kans gezien een nieuw bestaan op te bouwen in Nederland, zij het zonder enig netwerk om zich heen. Elisabeth werkt eigenlijk nu nog steeds voor die meneer en alle andere ouder wordende mensen die weliswaar kwetsbaar zijn maar ook het recht hebben op een zinvol leven. “Hoe kan je daar nou het verschil voor maken?” Elisabeth’s vader was van kinds af aan een astmapatiënt en vertelde vaak over zijn isolatie en eenzaamheid toen. Rond zijn 20ste was hij bijna gestorven. Het idee dat je alleen kan sterven terwijl je deel uitmaakt van een gezin, dat is wat Elisabeth aangrijpt; het hele stervensproces. “Daar heb je als onderdeel van de samenleving gewoon een rol in te vervullen.” Het is niet in alle families heel gewoon om mensen die sterven bij te staan, betoogt Elisabeth. En dat is voor haar een belangrijke drijfveer in haar werk. Er zijn gewoon professionals en vrijwilligers nodig die meer bieden dan alleen het regelen van de noodzakelijke dingen, maar die gericht aandacht kunnen geven aan stervenden en hun naasten.Meer betrokkenheid nodig in de wijk

Sureyya herkent dit heel goed. Als casemanager maak je vaak mee dat mensen eenzaam zijn en alleen komen te overlijden. Er zijn natuurlijk allerlei activiteiten voor mensen, er zijn professionals die hulp bieden, je kan naar de kerk gaan en toch…dat is allemaal niet genoeg. Er is meer betrokkenheid nodig in de wijk. Stel dat hier in de wijk iemand niemand anders heeft dan de hulpverlener. Dan zou je als hulpverlener de gelegenheid moeten krijgen om buren erbij te betrekken. Maar als casemanager denk je er vaak niet aan om op die manier hulp bij te organiseren. Je bent toch meer bezig met vragen als: is de zorg in orde, is het voldoende veilig in huis en is de uitvaart geregeld? Je richt je meer op de praktische en technische zaken. Elisabeth vult aan dat hulpverleners ook vaak wel bang zijn om dit soort aandacht te bieden aan mensen. Het is dan eerder een vlucht om te zorgen dat het praktische deel allemaal in orde is. Mantelzorgers zouden soms ook beter begeleid kunnen worden om in de stervensfase de juiste aandacht te geven aan hun naasten. Ook zij schieten vaak in de regelstand. Terwijl er juist meer aandacht zou moeten zijn voor de relatie tussen stervende en naasten. Als die aandacht er niet is, is er feitelijk geen kwaliteit van leven meer. Het is dus heel belangrijk, aldus Elisabeth, om hoe moeilijk het soms ook is die opr
echte aandacht te blijven bieden. Als zorgverlener kan je hier wel wat in betekenen voor de mantelzorgers, door familie te stimuleren rust te nemen en met hen 
te praten over angst voor verlies en dankbaarheid over de relatie.

Als de dood van de dood…
“Ik ben als de dood om dood te gaan….”, roept Sureyya ineens uit. Als ze oud is, mag ze doodgaan; dan is ze er hopelijk niet meer bang voor. Maar de dood van die 21-jarige jongen heeft veel indruk op haar gemaakt. Zomaar ineens bleek hij ziek en zes maanden later is hij er niet meer. Pas toen realiseerde Sureyya zich hoe snel het leven ineens voorbij kan zijn. “Wat had je in zo’n geval nog allemaal willen doen, wat had je tegen wie allemaal nog willen zeggen…?” Sureyya heeft zich daarom voorgenomen alvast iets op te schrijven voor haar kinderen. Maar uiteindelijk heeft ze dat nog altijd niet gedaan. “Omdat het zo dubbel is. Je weet dat het morgen voorbij kan zijn terwijl je er ook niet aan wilt denken. Het is alsof het dan te dichtbij komt.” Elisabeth vult aan: “Het één kan niet zonder het andere; de dood en het leven. Het hele leven is steeds afscheid nemen en je sorteert er als het ware toch ook een beetje voor op het afscheid van het leven.” Ze vertelt dat haar beide ouders zijn gestorven voordat haar zoon groot was. Zij hebben veel persoonlijks achtergelaten waar ze blij mee is. Van haar vader heeft ze tekeningen en brieven en haar moeder heeft op haar stervensbed voor haar kleinzoon een levensboek samengesteld met verhalen en foto’s. “Daar ben ik echt dankbaar voor,” zegt Elisabeth, “ik kan daardoor goed met mijn zoon praten over verlies en het verdriet dat dat geeft.”

Er is veel behoefte om over de dood te praten
Als professional vindt Sureyya het ook best lastig om met cliënten op het stervensbed over de relatie te spreken. Zij vertelt over één van haar eerste cliënten. Dat was een Indonesische man. Zijn partner was net overleden en hij had dementie maar was nog niet in de eindfase daarvan. Vaak zei hij tegen Sureyya: “Ik wil doodgaan in mijn eigen huis. Laat mij alsjeblieft niet opnemen.” Later ging het slechter met hem, hij ging dwalen en was een aantal keren gevallen. Toen is hij toch verhuisd naar een verpleeghuis. Dat was in de eindfase van zijn dementie. Sureyya zag in zijn ogen dat hij dat niet wilde…en toch moest zij hem daar achterlaten. Elisabeth springt daar op in: nabestaanden hebben vaak dat soort schuldgevoelens. Zij herinnert zich dat van nabestaandengesprekken die het Platform Dood gewoon in Den Haag organiseerde. Het grootste verdriet voor mensen zit vaak in de dingen die ze niet voor degene in zijn of haar stervensfase hebben kunnen doen. Het is daarom juist zo belangrijk om ook met mensen over dergelijke schuldgevoelens te praten, vult Sureyya aan. Zij benadrukt dat in het geval van de Indonesische man er niemand was om beslissingen te nemen. Zij heeft daarom zaken moeten regelen tot en met de uitvaart toe. Er was geen uitvaartverzekering en zij heeft via de gemeente toch voor elkaar gekregen dat hij bij een familielid begraven kon worden. Maar, echt een gesprek over de dood heeft Sureyya nooit met hem gehad.

Elisabeth vertelt over bijeenkomsten van het Platform waarin mensen werden uitgenodigd om, onder het genot van een hapje eten, te praten over sterven en de laatste levensfase. Het ging om ouderen die vaker met elkaar aten. Maar een groot deel daarvan wilde helemaal niet over de dood praten. Ze hadden er grote weerstand tegen. Het jaar erna was de insteek om over het leven te praten in plaats van over de dood. En toen ging vervolgens vrijwel elk gesprek over de dood. Dat was eigenlijk een grote les: door te zeggen dat je gaat praten over het leven kom je uiteindelijk toch op het thema ‘dood’. En dan blijkt dus dat er heel veel behoefte is om daarover met elkaar te praten.

Begraven worden in Nederland of Turkije?
Binnen de Turkse gemeenschap praten mensen minder makkelijk over de dood, geeft Sureyya aan. “Daar praat je gewoon niet met elkaar over”. Zij weet zelf niet wat haar vader en haar moeder nu eigenlijk zouden willen. Soms hoort ze haar moeder zeggen dat ze in Nederland begraven wil worden, het andere moment wil ze begraven worden bij haar vader in Turkije. Veel mensen in Nederland sterven in de buurt van de plaats waar ze ook geboren zijn. Voor Turken in Nederland is dat niet vanzelfsprekend. Sommige Turkse mensen weten het wel en hebben het ook goed geregeld. Zij worden in veel gevallen begraven in Turkije. Maar het komt voor dat broers en zussen ruziemaken over de plaats waar hun overleden vader of moeder begraven moet worden. Als bijvoorbeeld Sureyya’s moeder overlijdt dan is de kans groot dat haar zus iets anders zal vinden dan zij. Het is met name de tweede generatie Turken, de kinderen van de ‘gastarbeiders’ uit de jaren zestig, waar dit dilemma speelt. Sureyya zou wel graag willen dat haar beide ouders hier in Nederland begraven worden; de nabijheid is belangrijk voor haar. En wat het nog ingewikkelder maakt is dat haar vader uit het Oosten komt en haar moeder uit het midden van Turkije. Door haar huwelijk moet zij eigenlijk in het Oost-Turkije begraven worden, bij haar man.

Vaak zijn wensen niet vastgelegd
Er zou meer over de dood gesproken moeten worden binnen de Turkse gemeenschap, maar dan vooral met de groep ouderen. Ook om hen te helpen hun zaken goed te regelen. Omdat daar nooit over gesproken wordtDSC 0194 ES kopie, is ook niets vastgelegd. Veel oudere Turken hebben ook geen idee dat je naar notaris kunt gaan om dingen goed af te spreken en je wensen vast te leggen. Soms hebben mensen huizen in Turkije. Anderen hebben veel spaargeld; jarenlang gewerkt en niks uitgegeven. Sureyya’s oma heeft haar spaargeld gelijkelijk verdeeld onder de kinderen. Maar ook zij heeft nog een paar huizen in Turkije. Dat wordt ingewikkeld als zij komt te overlijden. Voor veel mensen in Turkije staan de jongens boven de meisjes en dus zullen zij wellicht de huizen of de waarde ervan opeisen.

Ook hulpverleners kunnen hulp gebruiken
Elisabeth en Sureyya zijn er over eens dat de professionele hulp aan mensen met niet Nederlandse achtergronden beter kan. Hulpverleners met een Turkse achtergrond zouden volgens Sureyya meer geholpen moeten worden om bij hun klanten de juiste vragen te stellen. Om het ook meer te durven. Je krijgt als hulpverlener regelmatig te maken met een terminale patiënt en dan ben je je toch niet bewust van je mogelijke rol in het gesprek over de dood. Dan voel je je als hulpverlener niet sterk genoeg om daar aan te beginnen. Als organisatie heeft HVP daar nog te weinig aandacht voor. Elisabeth vindt dat in een professionele zorgorganisatie het wel belangrijk is dat collega’s met elkaar op hun werk kunnen reflecteren. Sureyya nuanceert: er zijn binnen HVP veel mogelijkheden voor reflectie en overleggen van de teams met hun coördinator, maar dan weer niet op dit thema. Elisabeth begrijpt dat goed en geeft aan dat dat ook best ingewikkeld is. Daar zou je eigenlijk iemand bij moeten hebben die dat begeleidt en de mensen verder helpt. Geestelijk verzorgers van Saffier zouden zo’n rol goed kunnen vervullen voor de mensen van HVP. Zij organiseren voor medewerkers van zorgteams de mogelijkheid om moeilijke kwesties te bespreken. Ze leren medewerkers om te gaan met de diversiteit in meningen en gevoelens. Ze doen dat onder de noemer ‘moreel beraad’

Organisaties moeten elkaar meer opzoeken
De verschillende organisaties in de stad moeten elkaar meer opzoeken en samenwerken, vindt Sureyya. Op die manier kunnen we de steeds ouder wordende Turkse mensen de juiste zorg bieden. En dat geldt ook voor Marokkaanse mensen en over enige tijd voor Oost-Europese ouderen. Elisabeth onderstreept dit; iedere Hagenaar zal zich gesteund moeten kunnen voelen door organisaties die worden betaald met publieke middelen. Maar voor sommige ouderen zou je als zorgorganisatie wel een stap harder moeten lopen en meer investeren dan in anderen. Bijvoorbeeld omdat er een taalbarrière is of onbekendheid met de mogelijkheden. Soms ook spelen problemen vanuit de familie van de oudere, bijvoorbeeld omdat er een taboe rust op het uit handen geven van de zorg. En hoe ga je om met wensen vanuit ieders religie ten aanzien van sterven en nabestaan en ook met wat mensen wel of niet willen eten? Dit vraagt specifieke aandacht van zorgorganisaties en vanuit haar organisatie Saffier is die er ook. De cliëntenraad en ondernemingsraad vragen hier naar. Voor het management en de medewerkers is dit continue een aandachtspunt. In het kwaliteitskader voor de verpleeghuiszorg is veel geld beschikbaar voor de inzet van extra personeel voor de verbetering van de zorg. Het zou goed zijn als we dat geld ook kunnen inzetten voor meer deskundigheid in het omgaan met diversiteit.

Het gesprek tussen Sureyya en Elisabeth eindigt in het voornemen om die samenwerking verder met elkaar te verkennen. En zo helpt een onverwacht gesprek om de zorg in de diverse stad Den Haag verder te verbeteren.

­